Gorinchem – ‘De kameraadschap die ik tijdens m’n militaire diensttijd in Nederlands-Indië heb ervaren, heb ik later in het burgerleven nooit meer op dezelfde manier beleefd’, zegt Gorcumer Jan de Ridder.

Tussen 1947 en 1950 was De Ridder met zijn infanteriebataljon drie jaar lang gestationeerd in de bijna ondoordringbare jungle op Sumatra, waar je altijd op je hoede moest zijn. ‘Het is moeilijk om een voorstelling te maken wat wij daar hebben meegemaakt.’

Jan de Ridder, in de jaren negentig nauw betrokken bij de oprichting van het monument voor Nederlands-Indië bij het Paardenwater, werd in 1927 geboren in Groot-Ammers. Hij is opgegroeid bij z’n pleegouders, die een kaashandel hadden op de Langedijk in Gorinchem. Hij woont er nog steeds.

‘Geen flauwekul’
De Ridder kreeg z’n militaire opleiding in de Cort Heyligerskazerne in Bergen op Zoom. ‘Er werd niet gevraagd of je misschien iets mankeerde. Iedereen moest gewoon naar Indië. Er werden geen uitzonderingen gemaakt. Er werd ook niet verteld wat ons daar te wachten stond. Maar we wisten natuurlijk wel dat daar niet voor de flauwekul heengingen.’

Tijdens de opleiding kregen de soldaten nog een spoedcursus Indonesisch, weet De Ridder zich nog te herinneren. ‘We kregen een boekje en moesten proberen om zoveel mogelijk Maleise woorden te leren. We kregen één uur les per week. Denk maar niet dat na die iemand die daarheen ging een woord Maleis sprak.’

Sloterdijk
De Ridder werd, samen met jongens uit Zeeland en Brabant, ingedeeld bij het vijfde bataljon van het derde regiment infanterie. ‘We zijn begin december 1947 met de M.S. Sloterdijk vertrokken vanuit Rotterdam. Er was plaats voor 1600 soldaten en 400 man scheepspersoneel. In de Straat van Malakka zijn we overgestapt op een Amerikaans landingsvaartuig. Daarmee zijn ze de Moesi rivier op Zuid-Sumatra opgevaren. En van daaruit zijn we aan land gegaan.’

Zuid-Sumatra herbergt één van de meest ondoordringbare jungles van de wereld. ‘Daar sta je dan als twintigjarige Nederlandse soldaat, uit Gorinchem. Midden in een volstrekt onbekend gebied. Voor het eerst van je leven zie je apen, krokodillen, slangen en tijgers. Voor het eerst aten we nasi. Wisten wij veel wat dat was.’

Bataljon
Het bataljon zat op posten in Palembang, vliegveld Taleng, Betoekoe, oud Wassenaar, plantage Ebenan, Soepat, Babat, Sekajoe en Moeara Taladang. Er was een demarcatielijn getrokken. Die mocht alleen worden overschreden als het bataljon werd aangevallen door de TNI-troepen van Soekarno.

De Ridder: ‘We zaten in de bush met twaalf jongens. ’s Avonds om half zeven is het daar al donker. Om de beurt moest je twee uur wakker blijven om je post te bewaken. De jongens, die niet op wacht hadden gestaan, moesten de andere dag op patrouille. Natuurlijk hebben we spannende dingen meegemaakt. Van ons bataljon zijn in totaal negen soldaten gesneuveld. Als je op een meerdaagse patrouille ging, kreeg je heel wat te verwerken. Je moest naar de andere kant van de kali met prauwen. Met gevaar voor eigen leven, want aan de overkant loerde misschien wel de vijand. Ik spreek niet vaak meer over die periode. De mensen zullen het toch niet begrijpen. Die kunnen zich geen voorstelling maken wat het betekent om voortdurend op je hoede te zijn. Ik heb minstens anderhalf jaar met een geweer onder een klamboe gelegen, dag en nacht. Als je sliep had je een geweer in je handen.’

Netjes
‘Veel mensen hebben nog steeds geen hoge pet op van de Indië-jongens. Die denken dat wij daar alleen maar gemoord hebben. Dat is absoluut niet waar. Wij hebben zoveel mogelijk geprobeerd om het netjes te doen daar. Maar als je terugkomt van patrouille en er zijn nare dingen gebeurd, dan sta je daar toch wel  heelanders in. Mensen die dat niet hebben meegemaakt, snappen dat niet.’

Volgens De Ridder is het een groot misverstand om te denken dat de plaatselijke bevolking tegen de aanwezigheid van de Nederlandse soldaten was. ‘Ik durf te beweren dat 95 procent van de bevolking ons met open armen heeft ontvangen. De ploppers, het leger van de republiek van Soekarno, dat was onze tegenstander. Mannen die door de Jappen waren opgeleid om tegen ons te vechten met als doel om alle Europeanen eruit te krijgen. Ze deden niks anders dan hinderlagen leggen.’

Vergeten leger
‘We worden wel het vergeten leger genoemd. We hadden het gevoel dat we daar waren gedumpt. Ons was verteld dat we binnen een jaar uit en thuis zouden zijn. Het werden bijna drie jaar. Niemand kraaide ernaar. In Nederland heerste een felle strijd: de ene wilde Indië behouden, de andere wilde het overgeven. Het gebeurde allemaal achter onze rug. Wij waren degenen die het vuile werk moesten opknappen. Het heeft 25 jaar geduurd voordat er echt aandacht voor was.  We hebben het land moeten overgeven, maar het was niet nodig geweest. Het had allemaal te maken met hogere politiek. De Koude Oorlog was net uitgebroken. De Amerikanen vreesden de opmars van de Russen, ook in Zuid-Oost Azië. Ze wilden zich alvast verzekeren van de steun plaatselijke bevolking. Aan die belangen zijn wij opgeofferd.’

Terug in de kaashandel
De Ridder keerde in mei 1950 terug naar Nederland. In de kaashandel van z’n pleegouders was genoeg te doen. ‘Toen ik zelf thuiskwam, moest ik gelijk weer aan de slag.: ‘Zo Jan, nu heb je lang genoeg vakantie gevierd’, werd er gezegd.’

‘Veel jongens werden bij terugkomst in Nederland met de nek aangekeken. Toen wij thuiskwamen in 1950,  hadden de meeste mensen wel wat anders aan hun hoofd. Iedereen wilde werken hebben. Maar voor de meeste jongens was er geen werk. De problemen waren gigantisch. Over de oorlog werd niet meer gesproken. Niemand snapte het.’

Reünie
Pas 25 jaar later werd er voor het eerst een reünie gehouden van het bataljon. Het waren mooie momenten. ‘Je hebt daar in Indië een kameraadschap opgebouwd, die ik later nooit meer ben tegengekomen. Er waren veel dingen waar ik alleen met m’n dienstmaten over kon praten. Anderen snapten daar niks van.’

De Ridder heeft die kameraadschap later ook gezien bij veteranen van Libanon, Bosnië en Afghanistan. ‘De jongens die in Libanon of in Bosnië hebben gezeten, hadden veel beter materiaal, begeleiding dan wij. Als ze verkouden waren, werden ze al met een vliegtuig naar huis gebracht. Dat was er bij ons niet bij. Wij moesten daar overleven. Dat is een heel groot verschil.’

‘Ik ben in 1978 met m’n commandant teruggegaan naar Sumatra. We hebben toen één van de kamponghuizen bezocht waar ons bataljon dertig jaar eerder was gestationeerd. We zijn op eigen gelegenheid gegaan, niet met een gids erbij, gewoon met plaatselijke bussen. We zijn overal geweest. We werden met gejuich ontvangen. Dat kun je niet voorstellen, maar het was wel zo.’

Monument
De Ridder: ‘In totaal zijn er 150.000 soldaten in Nederlands-Indië geweest. In totaal zijn er ruim zesduizend gesneuveld. Al hun namen staan vermeld op een monument in Roermond.’ Het Fonds van Wapenbroerders heeft zich tien jaar geleden beijverd om naast dit landelijke monument ook plaatselijke monumenten op te richten in alle Nederlandse gemeenten, van waaruit jonge soldaten naar Indië zijn vertrokken.’ ‘In eerste instantie wilde de gemeente Gorinchem er niks van weten. Er waren binnen de raad zelfs geluiden die vonden dat de Indiëperiode een blamage was in de Nederlandse geschiedenis. Daar zijn wij als comité tegenin gegaan. Uiteindelijk is de medewerking er toch gekomen. Ik ben er wel trots op. Beeldhouwer Marcus Ravenswaaij heeft er iets moois van gemaakt.’

Dick Aanen, 2011
(Het interview met Jan de Ridder is opgenomen in het boek Ons Indië, Gorcumse herinneringen (2011), deel 27 uit de Historische Reeks Oud-Gorcum)