Vianen – De Lek bij Vianen is doorgaans een rustig kabbelende rivier, die zoals Hendrik Marsman dichtte ‘traag door oneindig laagland gaat’. Dat het zomaar in een paar dagen kan veranderen zagen we in de eerste februaridagen van 1995. Toen werd de Lek opeens een bruisende met dreigend hoogwater.

De Lek zoals ‘ie daar stroomt is helemaal eigenlijk helemaal niet zo vanzelfsprekend. Heel, heel lang geleden was de situatie heel anders. Tijdens de laatste ijstijd, zo’n tienduizend jaar geleden, kronkelden in de brede strook tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Brabantse zandgronden een wirwar van zich snel verplaatsende rivierlopen. De rivieren verspreidden zich en vlochten zich een eindje verderop weer aaneen. Vlechtende rivieren.

Als in het voorjaar de sneeuw smolt, vormde de rivieren één grote kolkende massa. In drie maanden werd in de ondiepe oevers over een heel breed gebied zand en grind afgezet. ’s Winters lagen de beddingen droog en kon er zand uit opstuiven tot rivierduinen, die we nu in de Alblasserwaard nog kennen als donken.

Meanderende rivieren
Tienduizend jaar geleden begon de ijskap, die tot bij Hamburg kwam, te smelten. Het vormde de overgang van de ijskoude periode van het Pleistoceen naar het relatief warme Holoceen, de periode waarin wij nu nog steeds leven. “De zeespiegel steeg in de duizenden jaren daarna enkele tientallen meters”, zegt Vianees Dick Kerkhof. “De rivieren waren lang zo woest niet meer en de afvoer bevatte ook veel minder pieken.”

In gebieden met makkelijk erodeerbaar zand in de ondergrond ontstonden langzamer stromende, meanderende rivieren. Later in het Holoceen ontstonden in gebieden met dikke, moeilijk erodeerbare klei- en veenpakketten ook niet of nauwelijks meanderende (‘rechte’) rivieren. Door de stijging van de zeespiegel werd het materiaal uit de rivieren al veel eerder afgezet.

Kerkhof: ‘Het zand en grind kwam in de bedding van de rivier terecht. De door de rivier meegevoerde zavel of lichte klei kwam op de oeverwallen langs de oevers terecht. De fijnste kleideeltjes werden afgezet in rustige komgebieden verder bij de rivieren vandaan, waar ook veen kon worden gevormd. Het gevolg was dat de riviervlakte steeg, zo’n beetje in hetzelfde tempo als de zeespiegel.’

Oude Rijn
In de loop der eeuwen verlegden de meanderende of rechte rivieren ook regelmatig hun loop, daarbij soms geholpen door de mens. Een goed voorbeeld is de Oude Rijn/Kromme Rijn, die vanaf Wijk bij Duurstede via Utrecht en Leiden uiteindelijk in zee uitmondde bij Katwijk. Deze Rijntak ontstond ruim 5500 jaar geleden en bleef duizenden jaren actief. Rond het jaar 1000 was deze loop echter ernstig verzand, waarop men in 1122 de Kromme Rijn bij Wijk bij Duurstede afdamde. De hoofdloop werd daarmee verlegd naar wat tot die tijd slechts een zijtak was: de huidige Lek.

Stroomruggen
Ook in de Vijfheerenlanden zijn nog restanten zichtbaar van oude rivierlopen, zoals de Schoonrewoerdse, Zijderveldse en Hagesteinse stroomruggen. De rivierloop ‘Schoonrewoerd’ liep van Culemborg naar Alblasserdam en was actief van 4520 tot 3700 jaar geleden. In die tijd was er al veel klei afgezet door eerdere riviertakken en ook al veel veen gevormd.

De Schoonrewoerd is een goed voorbeeld van een ‘rechte’ rivier die vrijwel niet meanderde. Een bijzonderheid van de toenmalige rivieren in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden was dat een rivierloop zich vaak splitste in meerdere takken, die verderop in de moerassige overstromingsvlakte weer bij elkaar kwamen.

Fruitteelt
“Bij Leerbroek zijn de verschillende takken van de Schoonrewoerd mooi zichtbaar, ze liggen iets hoger in het landschap”, zegt Kerkhof. ‘Je herkent oude stroomruggen ook aan het landgebruik: op de stroomruggen is fruitteelt mogelijk. Ten oosten van het dorp Schoonrewoerd liggen de beddingafzettingen van de gelijknamige rivierloop ook onder de Diefdijk. In 1573 kwelde na een Gelderse overstroming zoveel water via die zandbaan onder de Diefdijk door dat deze bezweek – zo is de Schoonrewoerdse Wiel ontstaan, de grootste doorbraakkolk (13 ha) van Nederland.’

De Zijderveldse stroomrug loopt door o.a. polder Over-Boeicop ten oosten van Zijderveld. De bijbehorende rivier was actief van 5345 tot 4620 jaar geleden. Op de huidige hoogtekaart is te zien dat deze rivierloop meanderde. De restbedding, die wat lager ligt dan de flankerende oeverwallen, is zelfs nog goed zichtbaar.

De Hagesteinse stroomrug is gevormd door de ‘Hagestein’ of ‘Gaasp’, die actief was van 2514 tot 1050 jaar geleden. Het dorp Hagestein en in Vianen de omgeving van de Hogelandseweg en Helsdingen liggen op deze stroomrug. De ‘Hagestein’ verbond de ‘Buren’ met de Hollandse IJssel.

Eerder in het Holoceen stroomden bij Hagestein/Vianen al de ‘Tienhoven-Benschop’, de ‘Vuylkoop’ en de ‘Hennisdijk-Honswijk’, rivierlopen die door Utrechtse fysisch-geografen genoemd zijn naar plekken waar zij onderzoek hebben gedaan. De ‘Hagestein’ stroomde grotendeels door oude beddingen van eerdere rivieren.

Veenvorming
Ongeveer op de plaats van de huidige kust ontwikkelde zich zo’n drieduizend jaar een gesloten duinenrij. Hierdoor stagneerde de afvoer van de grote rivieren. Het westelijk deel van Nederland, tussen de oostelijke zandgronden en de duinkust, veranderde in een uitgestrekt moerasgebied waarin op grote schaal veenvorming plaatsvond. Ook in de Alblasserwaard-Vijfheerenlanden ontstonden moerassen, waarin rietveen, zeggeveen en bosveen werd gevormd. Op sommige plaatsen in het gebied is het veenpakket wel tien meter dik. Tijdens deze veenvorming overspoelden de rivieren regelmatig het veenpakket, waarbij zij op het veen dunne lagen rivierklei afzetten.

Dijken
Vanaf 1200 begint door menselijk ingrijpen van onze streekgenoten de Grote Ontginning. Er kwamen dijken. Er werden greppels, sloten en weteringen gegraven om het moerassige gebied te ontwateren en geschikt te maken voor landbouw. De drooglegging heeft er voor gezorgd dat het dikke veenpakket vanaf de dertiende eeuw langzaam maar zeker begon in te klinken. De bodemdaling voltrok zich tergend langzaam, maar wel gestaag: zo’n 8 millimeter per jaar, ofwel 80 centimeter per eeuw. De zandige oeverwal- en beddingafzettingen van de vroegere rivieren klinken echter nauwelijks in en gaan daardoor steeds meer boven de rest van het maaiveld uitsteken. Dit is goed zichtbaar op de hoogtekaart, het Actueel Hoogtebestand Nederland.

Landschap
Een ander gevolg van de bedijking is dat uiterwaarden tegenwoordig veel hoger liggen dan de gronden in het binnendijkse gebied, de kommen. Dick Kerkhof: ‘Wij roemen nu ons prachtige landschap, vanwege zijn grote cultuurhistorische waarde. Het ooit zo prachtige ecosysteem met rivieren en moeraslandschap is verloren gegaan. Het landschap waar ooit elanden en bruine beren liepen is nu allemaal verdwenen. Omdat de mensen dat zo nodig vonden. Nu spreken wij afkeurend over de aantasting van het tropische regenwoud, maar in de Middeleeuwen waren wij geen haar beter.’

Lekuiterwaarden
In de Lekuiterwaarden tussen Vianen, Houten, Nieuwegein en IJsselstein is de afgelopen jaren het project Ruimte voor de Lek uitgevoerd. Er zijn nieuwe geulen gegraven, kaden verlaagd of verlegd en het projectgebied heeft vervolgens een natuurfunctie gekregen.

De Lekuiterwaarden zijn een veelzijdig gebied met hooilanden, rietkragen, strangen, slikplaten, rivieroevers, meidoornhagen, zoetwatergetijdenmoerassen en zelfs voedselarm kalkmoeras. Kerkhof: ‘Opmerkelijk is dat je nergens anders in Nederland in de uiterwaarden zo’n diversiteit aan planten vindt.’

Ruimte voor de Lek
Tussen 2000 en 2015 zijn de uiterwaarden uitgegraven. Dat gebeurde in het kader van Ruimte voor de Lek. Het doel was verlaging van de waterstanden bij hoge afvoeren van de rivier. Maar het afgraven van de uiterwaarden had nog een ander neveneffect, namelijk natuur- en landschapsontwikkeling. En natuurlijk was het ook gunstig voor de recreatie.

“Toen de laatste zandauto wegreed, was de natuur aan zet”, zegt Kerkhof, die eigenlijk zeer tevreden terugkijkt op het resultaat.

“In het voorjaar en de zomer gonzen de rietkragen in de Everdinger Waarden van de kleine karekieten, rietzangers, blauwborsten en andere kleine zangvogels.” Op de slikplaten en langs de oevers van de strangen dribbelen steltlopers, driftig op zoek naar voedsel: witgatjes, oeverlopers, groenpootruiters en kluten.

Kerkhof: “Weidevogels die in de omliggende weidegebieden broeden, zoals tureluur en grutto, komen na de energievretende oversteek uit hun overwinteringsgebieden graag eerst op krachten in de nieuwe moerassen in de Lekuiterwaarden. Een groot deel van het jaar kun je hier ook lepelaars en grote en kleine zilverreigers bewonderen. In de winter vallen vooral de vele ganzen op, zoals kolgans, brandgans en grauwe gans.”

De ontwikkeling van de flora is al even spectaculair. In diverse afgegraven, beschutte delen van de Lekuiterwaarden zijn duinvalleiachtige vegetaties ontstaan met allerlei zeldzame planten, waaronder maar liefst acht soorten orchideeën en bijvoorbeeld geelhartje, fraai duizendguldenkruid, rond wintergroen, stekende bies, kwelderknikmos, roodmondknikmos, goudsikkelmos en bol gladkelkje.

Waterpeil van de Lek
Kerkhof zat eerste rang tijdens het hoogwater van 1995. Het water stond zo’n beetje tot aan de stoep van zijn woning. “Maar 1995 was eigenlijk helemaal niet zo uitzonderlijk. Kijk naar de grafieken met de rivierpeilen uit de 19de eeuw. Toen kwam zo’n situatie eens in de vier jaar voor.”

Kerkhof heeft berekend dat het peil in de Lek bij Vreeswijk-Vianen sinds 1870 anderhalve meter lager is geworden: in 1778-1870 was het gemiddelde peil 241 cm, in 2000-2017 was het 90 cm. Deze verlaging van de Lekpeilen is veroorzaakt door de aanleg van dwarskribben in 1870-1880, waarna de rivier zich ging insnijden.

De daling van het Lekpeil heeft voor de natuur zowel positieve als negatieve gevolgen gehad. Kerkhof: “Veel lage uiterwaarddelen die vroeger in het voorjaar nat waren of onder water stonden (door regenwater, kwelwater of inundatiewater) zijn tegenwoordig in het voorjaar droog. Dit is één van de oorzaken van de sterke achteruitgang van weidevogels (vooral tureluur en grutto) in de Lekuiterwaarden ten westen van de stuw bij Hagestein.”

Ook moerasvogels zijn hier achteruitgegaan. Kerkhof: “Ik weet nog dat in moerasjes langs de Lekdijk de roerdomp broedde en in een moerassige sloot langs de Buitenstad de waterral en de gele kwikstaart. Gelukkig is de situatie de laatste jaren plaatselijk verbeterd door uiterwaardafgravingen, zoals bij Lexmond en in de Bossenwaard ter hoogte van het Klaphek bij Nieuwegein/IJsselstein.”

Zomerpioniers
Plasjes en geulen die in de winter nog wel water bevatten, vallen ’s zomers vaker en voor een groter deel droog dan vroeger het geval was. “Dit is gunstig voor eenjarige zomerpioniers die op de drooggevallen plekken binnen enkele maanden kunnen kiemen, bloeien en zaad produceren. Hierdoor zijn onder andere slijkgroen en klein vlooienkruid, die vroeger zeldzaam waren, sterk vooruitgegaan.”

Het dalen van de Lekpeilen is volgens Kerkhof ook gunstig voor planten van droog zandig stroomdalgrasland, die alleen kortdurend in de winter overstroomd mogen worden. “Planten als sikkelklaver, kruisdistel, kattendoorn, geel walstro, akkerhoornbloem, knolboterbloem, smal fakkelgras en zachte haver kunnen nu op veel meer plaatsen overleven dan voor 1870 het geval was – vooropgesteld dat de standplaatsen niet bemest worden, want mest is voor deze soorten even slecht als te veel water.”

Everdingerwaard
De effecten van de rivierinsnijding gaan niet (meer) op voor het gestuwde deel van de Lek ten oosten van Hagestein. “Daar zijn de uiterwaarden na 1970 juist natter geworden, omdat door de stuw de Lekpeilen veel hoger werden. In de Everdingerwaard worden wel natuurlijke peilschommelingen nagestreefd. ’s Zomers daalt het peil in de geïsoleerde (niet rechtstreeks met de Lek verbonden) geulen een paar decimeter, waardoor ook daar veel oevers droogvallen en pionierplantjes hun kans grijpen.’

Dick Aanen, februari 2019