Amstelveen – ‘Na dertien jaar is het tijd om te verder te gaan’, zegt predikant Marianne Bogaard, die de Amstelveense Paaskerk deze maand verruilde voor de PKN-gemeente in Rotterdam-Kralingen. ‘Er wordt vaak gezegd: ‘Een voorganger is voorbijganger’. Het klinkt afgezaagd, maar zo is het wel.’

Samen met partner Peter nam ze deze maand haar intrek in een pastorie. ‘Het is een prachtige omgeving, vlakbij het Kralingse Bos. Daar zul je mij regelmatig zien wandelen met de hond.’

De Protestantse Gemeente van Rotterdam-Kralingen een mooie uitdaging voor Marianne. ‘De gemeente is in praktisch opzicht al gefuseerd, maar er zal nog een kerkgebouw afgestoten worden. Dat proces hoop ik samen met mijn collega-predikant te begeleiden. Een verschil met Amstelveen is ook dat ik in Kralingen meer te maken krijg met migrantenkerken. De Evangelische Broedergemeente zit daar om de hoek. Dat is een gemeente met veel Surinaamse mensen. Dat ligt mij, vooral omdat ik vijf jaar lang predikant ben geweest in Suriname en de manier waarop zij hun geloof beleven heel goed ken.’

Fusie
Marianne is langer in Amstelveen gebleven dan dat ze bij haar komst in 2005 had gepland. De fusie met de Dorpskerk en de Handwegkerk, de sluiting van beide kerkgebouwen en ondertussen ook nog het emeritaat en het vertrek van twee collega’s vergde veel energie van de ambitieuze dominee. ‘Als we naar buiten kerk willen zijn dan moeten we zorgen dat we intern de zaken op orde hebben. Dat we mekaar niet de tent uitvechten, dat we elkaar respecteren in onze pluriformiteit. Ik had in die roerige periode het idee dat ik de gemeente niet alleen kon laten. Ik moest gewoon blijven. Daar kwam bij: ik wilde ook gewoon blijven.’

Inmiddels is de fusie achter de rug. En niet onbelangrijk: de herstructurering van de Algemene Kerkenraad wordt door goede mensen overgenomen. Marianne: ‘We zijn in ander vaarwater terechtgekomen. Ik voel nu ook echt de ruimte om weg te kunnen. Het is goed voor een gemeente als er na een tijdje weer nieuwe mensen komen die het werk verder dragen. Ik ga nu naar Kralingen en daar word ik weer op een andere wijze uitgedaagd. Er komen ongetwijfeld weer andere kanten van mezelf aan bod.’

Talenten
Tijdens de afscheidsavond in de Paaskerk (vrijdag 22 maart) werd Marianne alom geprezen vanwege haar vele talenten: haar intense betrokkenheid bij de noden van gemeenteleden, haar gedrevenheid voor haar pastorale taken, haar bestuurlijke kwaliteiten als scriba van de algemene kerkenraad, haar probleemoplossend vermogen en praktische inslag en vooral ook de ongedwongen manier waarop ze met jongeren omgaat (met als hoogtepunt de reizen naar Taizé). Maar ook haar muzikale talent werd aangehaald. Heel vaak wist Marianne mensen in nood te troosten door spontaan een lied te gaan zingen.

Omzien naar elkaar
Op haar beurt roemt Marianne de Paaskerk-gemeente. ‘Mijn partner Peter heeft geen kerkelijke achtergrond. Maar hij heeft een enorme waardering en respect voor hoe er in onze kerk naar elkaar wordt omgezien. Dat is eigenlijk nieuw voor hem. Wij gaan er zo vanzelfsprekend vanuit dat mensen dat weten. Bijvoorbeeld de diaconie die zorgt dat er hulp is voor mensen die financieel in de knel zitten. Of dat gemeenteleden elkaar meenemen naar de kerk of bij elkaar op bezoek gaan. Ik weet van een gemeentelid dat boodschappen doet voor een ander gemeentelid. Het is eigenlijk een heel vanzelfsprekende manier om er voor elkaar te zijn, buiten je eigen familie om. Ik denk dat dit in dorpen nog steeds heel vanzelfsprekend is, maar in de stad allang niet meer. Ik denk dat we onderschatten als kerk op hoeveel plekken in Nederland dat niet meer bestaat. En hoe belangrijk het is om dat te doen vanuit het geloof: het is het cement van de samenzijn.’

Niet je ogen sluiten
Volgens Marianne moet je er als kerk niet je ogen sluiten voor dat de clubgemeenteleden in Amstelveen kleiner wordt. ‘De kerk is een soort vreemd element geworden in onze samenleving. Tegelijkertijd is het belangrijk om oog te hebben voor degenen die er nog wel zijn.’

Eeuwige optimist Marianne is nooit bij de pakken neer gaan zitten. Ze heeft samen met collega’s Gert-Jan de Bruijn en Werner Pieterse veel energie gestoken in het opzetten van speciale gespreksgroepen voor gemeenteleden in een bepaalde fase van hun leven: dertigers, veertigers, vijftigers, zestigers. ‘Het verschil tussen de jongere generatie en de oudere generatie wordt steeds groter. Iedere generatie heeft haar eigen behoefte. De groep vijftigers bestaat uit mensen die veel hebben meegemaakt in hun leven en daarover willen praten met hun leeftijdsgenoten. Het zijn mensen met een ‘rugzak’.’

Dertigers hebben weer heel andere behoeften, merkt Marianne: ‘Het zijn mensen die tegen mij zeggen: wij komen niet meer elke zondag in de kerk, dat redden we gewoon niet. Maar zo’n gespreksgroep voor dertigers is voor ons wel heel belangrijk. Dat is voor ons kerk-zijn. We hebben met deze groep ook een aantal keren een viering voorbereid. Dat ziet er heel anders uit dan een gewone viering.’

Jongeren
Marianne is ook actief bezig geweest met jongeren, ofwel de ‘tieners’. ‘Ik ben vijf keer met een groep jongeren naar Taizé geweest. Het is geweldig om te zien wat dat met ze doet. En hoe het ze raakt en hoe het ze vormt. Die jongeren komen niet naar de gewone dienst. Maar die ontvangen in Taizé tussen geloofsgenoten uit de wereld iets waar ze hun hele verdere leven iets aan hebben. We moeten zoeken naar wat jongere generaties nodig hebben: ‘hoe kunnen we hen erbij betrekken?’ Wat is de taal die zij spreken? Dat is dus niet de taal van de wekelijkse kerkdienst.’

Tegelijkertijd moet je ook kerk blijven voor de mensen die de kerk hebben opgebouwd, benadrukt Marianne. ‘Het is heel erg zoeken. Hoe kan je in vertrouwen met elkaar gemeente blijven en contact zoeken met God en met elkaar. Het is mooi dat het groot blijft, maar het mooiste is dat het goed blijft. In die zin dat mensen opgebouwd worden in hun geloof en dat mensen er zijn voor elkaar.’

Dick Aanen, april 2019