‘Het Indië van mijn jeugd bestaat niet meer’, zegt Esther Manuputy-Cohen. Ze is één van de 330.000 Indische Nederlanders, die in haar jeugdjaren naar ons land verhuisde. ‘Inmiddels zijn dat er zo’n 1,2 miljoen. Toch denk ik wel eens dat de Indische gemeenschap een vergeten groep is. Dat komt omdat wij zo ontzettend goed geïntegreerd zijn.’ Esther, die al sinds 1969 met haar man in Gorinchem woont, voelt zich absoluut Nederlander. ‘Toch worden wij nog vaak in een hoekje geduwd als Indische Nederlanders, alsof wij ook allochtoon zijn. Dat zijn wij dus niet. Toch ben ik heel trots op dat ik Indisch ben. Door mijn cultuur, mijn achtergrond, ben ik geworden wie ik ben.’

Ze werd geboren in1943, inMalan op Java. ‘M’n vader is voor de oorlog vliegtuigbouwkundige geweest. Hij is geboren uit Nederlandse ouders, maar hij is in Indië geboren. Hij is volbloed Nederlander. M’n moeder heeft een Javaanse moeder, haar vader was Nederlander.’

In 1943 was Nederlands-Indië een paar maanden bezet door Japan. ‘Mijn vader is in de oorlog opgepakt en heeft in kampen gezeten in Oost-Java en Badung. Hij is nooit meer teruggekeerd. Ik heb mijn vader nooit gekend. De afspraak met m’n moeder was altijd: als we mekaar niet meer kunnen vinden in of na de oorlog dan is de ontmoetingsplaats Badung. Daar zijn wij na de oorlog gaan wonen.’

Ondanks het feit dat moeder het voortaan alleen moest redden, had Esther een prachtige jeugd. ‘Het is daar toch heel anders dan hier. We hadden de vrijheid, prachtige huizen, de ruimte, je had alles. Als kinderen gingen we kikkers vangen, stiekem naar de sawavelden. Als we dan thuis kwamen, dan had m’n moeder het gelijk door. Ze rook het gewoon. Later leerden we dansen.”

De omstandigheden werden na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 steeds moeilijker voor de Nederlandse Indiërs. Ze raakten huizen en banen kwijt, konden geen zaken meer doen en werden door het nieuwe bewind van Soekarno geringschattend behandeld. In 1957 verhuisde de familie Cohen naar Nederland. “We zijn met het passagiersschip Sibajak gekomen. De bootreis was een geweldige ervaring. We werden opgevangen in een pension in Soesterberg, in twee kamers van vier bij vier meter. Na negen maanden verhuisden we naar een duplexwoning in de Joost de Jongestraat in Leerdam. Het was een straat met heel lieve mensen. Ze hebben ons heel goed geholpen. Bijvoorbeeld met ramen zemen: we hadden geen idee hoe dat moest.  Maar we kregen ook wel eens een standje van de buurman, omdat wij nogal wilde kinderen waren en af en toe lekker gingen dansen.’

Esther ging na de Mulo de verpleging in. Ze werkte in een ziekenhuis in Utrecht. Begin jaren zestig was ze een tiener. “Het was een heerlijke tijd. Ik ging veel dansen. Het waren de hoogtijdagen van de Indo-Rock, met Andy Tielman, Anneke Grönloh, The Blue Diamonds. Johnny Lion.”

Tijdens haar opleiding kreeg ze verkering. In 1969 verhuisde ze met haar man naar Gorinchem, waar ze nog steeds woont. “In 1988 ben ik voor het eerst teruggegaan naar Indonesië. Ik was eigenlijk op zoek naar mezelf: wie ben ik nou? Ben ik Indisch of Hollands? Ik ben gewoon mezelf, ik ben blij met wie ik ben. Ik ben ook teruggeweest naar het graf van m’n vader. Hij ligt begraven op het ereveld op Bandu. Het graf wordt goed verzorgd door de Nederlandse gravenstichting. Ik ben ook teruggegaan naar ons huis. Het deed me weinig. Het was net of je naar een dode kijkt: het lichaam is er nog, maar de personen die erin huizen niet meer. Dit was niet langer mijn Indië, dit was Indonesië. Het echte Indië ligt tussen Amsterdam en Maastricht. Ik voel me op en top Hollands. Het is heerlijk om daar te zijn, maar alleen met vakantie.’