In 1951 kwam Wim Wattimury naar Nederland, samen met vierduizend strijdmakkers en hun gezinnen; in totaal 12.500 personen. De Nederlandse regering beloofde dat de hondstrouwe soldaten in Nederlandse dienst binnen een half jaar terug zouden keren naar hun geliefde vaderland. “Maar zes maanden zijn inmiddels zestig jaar geworden”, zegt Wattimury vol verbittering en woede in zijn stem.‘Oom’ of ‘opa’ Wattimury was tot zijn 32e soldaat eerste klas in het KNIL. De manhaftige Molukkers behoorden tot het elitekorps. Ze werden gevreesd vanwege hun vechtlust. “We waren voor niets en niemand bang.”

Hondstrouw
De Molukkers waren van onschatbare waarde. Maar na de soevereiniteitsoverdracht in 1949 zat Nederland opeens in z’n maag met deze soldaten. De Molukkers wensten niet te worden opgenomen in het nieuwe Indonesische leger, de vijand. Ze wilden het liefst terug naar Ambon, waar in 1950 de onafhankelijke Republiek der Zuid-Molukken (RMS) was uitgeroepen. De staat werd niet erkend door Nederland en Indonesië. De Nederlandse regering sprak van een ‘opstand van rebellen’. Als ‘tijdelijke’ maatregel werden vierduizend KNIL-militairen in de zomer van 1951 naar Nederland verscheept. Wattimury: “We hadden geen keuze. Het was een dienstbevel.”

Nog tijdens de boottocht -met de haven van Rotterdam al in zicht- werden de soldaten ontslagen uit militaire dienst. Het dragen van het uniform werd strafbaar gesteld. Wattimury beschouwde de maatregel als een grote vernedering. “Opeens waren we weer gewone burgers. Wij beschouwden ons nog steeds als soldaat en vonden dat de Nederlandse overheid voor ons moest zorgen.”

De Nederlandse regering beloofde -tegen beter weten in- dat de Molukkers binnen een half jaar terug mochten naar Ambon. Wattimury balt zijn vuisten als hij vertelt hoe die zes maanden zestig jaar werden.

Verbitterd
Wattimury is verbitterd over al het leed dat de groep KNIL-militairen is aangedaan. Hij spreekt geen woord Nederlands, alleen Maleis. Haalt soms jaartallen door elkaar, maar zijn woede laat aan duidelijkheid niets te wensen over: “In 1954 werd in Vught de Bond van ex-KNIL-militairen opgericht om te zorgen dat de Nederlandse overheid haar belofte na zou komen en zou ‘regelen’ dat de KNIL-militairen terug konden keren naar Ambon. Ik wacht nog steeds op een antwoord.”

Karig
Wattimury kwam met z’n gezin terecht in kamp Vught. Het leven was er sober, heel sober. De gezinnen kregen een vergoeding. Het was niet meer dan een zakcentje: drie gulden per week voor volwassenen, anderhalve gulden voor elk kind. Ze kregen eten uit de gaarkeukens. Ook werd gezorgd voor kleding en meubilair. De grote gezinnen leefden opeengepakt in een ruimte van drie bij vier meter, zonder wasmachine, stofzuiger of koelkast. De vrouwen deden het huishouden zoals ze dat van huis uit hadden geleerd. De saamhorigheid was groot.

Werken
KNIL-militairen mochten in het eerste jaar van hun verblijf in Nederland helemaal niet werken, omdat men toen nog geloofde in een spoedige terugkeer naar Ambon. Die strenge regel werd later wat milder geïnterpreteerd. De regering eiste dat zestig proent van het verdiende loon werd overgedragen aan de overheid. “Ik heb me daar hevig tegen verzet”, zegt Wattimury. Dat gold ook voor de werkgevers. Uiteindelijk vond hij werk op de stoffenfabriek in Helmond. In 1962 verhuisde het gezin naar Leerdam, samen met 112 andere Molukse gezinnen. Het betekende een aanzienlijke verbetering van de leefomstandigheden in vergelijking met het sobere leven in de kampen. Wattimury kreeg een fraaie nieuwbouwwoning toegewezen in de Lindestraat in West. Aan de rand van de stad, uitkijkend op het weidse polderlandschap. Vlakbij zijn strijdmakkers van de Bond. Velen van hen vonden werk in de vleesfabriek in Uithoorn. Elke werkdag werden de mannen opgehaald door Etus Timisela uit de Lindestraat.

Status
Ondanks de verbeterde leefomstandigheden, bleef Wattimury vasthouden aan zijn status als militair. Hij eiste volledige verzorging door de Nederlandse overheid. Jarenlang weigerde hij huur te betalen. Maar uiteindelijk kwam hij tot de conclusie dat zo’n starre houding niet vol te houden was. Zijn fanatisme is naarmate hij ouder werd weer gegroeid. Terugkeren naar Ambon: de hoop is nog steeds levend bij de oude Wattimury. “Ik heb nog maar een paar jaar te leven, maar de hoop om terug te gaan naar Ambon heb ik nog steeds niet opgegeven. Daar blijf ik voor vechten, totdat ik uiteindelijk zal worden teruggeroepen door de Schepper Zelf.”

Repatrianten
Het verlangen ooit terug te keren naar hun geliefde vaderland leefde bij veel Molukkers. Marietje en Marianus Pattiradjawane voegden de daad bij het woord. Ze kwamen in 1951 met hun twee kinderen met de New Australia naar ons land. Na medisch onderzoek in Amersfoort verbleven ze tien jaar in een kamp in Woerden. In 1961 arriveerden ze in Leerdam. “We waren blij. Eindelijk weer een normaal huis. Dat was ook fijn voor de kinderen”, herinnert de inmiddels 85-jarige Marietje zich. In haar kamer in de Poort van West leeft het verleden voort. Er staat een dvd aan met Molukse muziek. In de kamer volop familiefoto’s; van kinderen en kleinkinderen, maar ook herinneringen aan een ver verleden. Bijvoorbeeld uit de periode dat haar man nog in het KNIL diende. “Ik denk veel terug aan vroeger.  Aan Ambon, aan de reis, aan onze jaren in Woerden. Ik heb daar nu alle tijd voor.” Desondanks is Marietje niet negatief over het verleden. Ze praat rustig -verstaat Nederlands, maar spreekt het moeizaam- en laat haar emoties nauwelijks zien. Heeft steeds een lach om haar nog jonge gezicht. Geniet van het bezoek. “Neem nog een glaasje wijn, meneer. Op één been kun je niet staan.” Vertelt: “Mijn man was militair, hij moest verhuizen. Ik ben meegegaan. Natuurlijk. Je hebt geen andere keus. Heel normaal. We hadden het redelijk in Leerdam. Ook omdat ik toen ben gaan werken. We hadden goede contacten. Vooral in de ‘wijk’ naturlijk, maar ook met de mensen in Leerdam. Als je zelf goed leeft, gaat dat vanzelf.”

Geen heimwee
Marietje Pattiradjawane voelde destijds geen heimwee naar Ambon. Zegt aarzelend: “Het was natuurlijk mijn vaderland, maar ik vond het goed zo. Al gingen we er tijdens vakanties wel naar toe.” Haar man had meer heimwee. “Hij wilde graag op Ambon sterven.” Het echtpaar kocht daarom grond en liet een huis bouwen.

In 1998 volgde de terugkeer naar hun geboorteland. Het liep anders dan de ex-KNIL militair had gedroomd. Hij werd ziek en overleed elf maanden na zijn terugkeer. En werd begraven op zijn geliefde eiland. Marietje bleef een jaar of tien alleen achter en besloot toen naar Nederland terug te keren. “Op Ambon had ik wel familie en kennissen, maar al mijn kinderen en kleinkinderen woonden in Nederland. Dan ben je daar toch alleen.” Het stoffelijk overschot van haar man werd opgegraven, kwam mee terug naar Leerdam, waarna hij op de begraafplaats aan de Tiendweg zijn laatste rustplaats kreeg.

Berusting
Inmiddels woont Marietje in de Poort van West. “Ik heb het hier goed, maar ik mis de gezelligheid en de aanspraak van de wijk. Daar lopen de mensen bij je in en uit. Hier is dat minder. Maar het kan niet anders. Ik ben nog aardig gezond, gebruik geen medicijnen, heb alleen wat last van mijn botten.” Terugkijkend op haar leven past het woord ‘berusting’. “Ons leven is gegaan zoals het gegaan is. Dingen overkomen je. Dan moet je er het beste van zien te maken. Het is goed zo. Ik hoor hier. Vooral door de kinderen. Als zij hier dood gaan, sterf ik hier ook.”

André Bijl/Dick Aanen