Amstelveen – ‘Zal ik je nog eens wat vertellen?’ De 88-jarige Kees den Haan uit Bovenkerk gaat er nog eens goed voor zitten in z’n flink opgestookte appartementje La Gamba (tegenover Silversant). Vervolgens overdondert hij zijn toehoorders met het zoveelste prachtige verhaal over zijn vroegere avonturen als stroper in de toen nog maagdelijke polders van Amstelveen. ‘Jazeker, stroper. Ik schaam me daar niet voor.’

Kees maakt op z’n oude dag nog een vitale indruk. Hij loopt elke dag met z’n hond nog flinke stukken door het Amsterdamse Bos, dat hij zo goed kent. ‘Toen het bos nog niet was aangeplant, was het van de tot aan de Kalfjeslaan één en al boerenland. Het wemelde er van de hazen. Samen met m’n maatje heb ik er ooit zeventig in één nacht geschoten.’

‘M’n vader werkte bij de boeren achter de kleine Noorddijk. ‘Natuurlijk mocht ik in die klaverlandjes niet stropen. Maar voor de rest mocht ik m’n gang gaan. Ik stroopte ook in de polders van Schiphol en in de Bovenkerkerpolder. Ik ving de mollen voor de boeren en in ruil daarvoor mocht ik op hun land de hazen schieten. Later raakte ik dat weer kwijt aan de mannen die geld hadden om de boeren voor de jacht te betalen.’

Ook Kees vond werk als loonwerker bij de boeren. ‘Ik was in die tijd een beresterke vent. Ik had zes dikke boterhammen met gekookt spek, kun je nagaan. Ik rooide zonder problemen 400 meter bieten op een dag.’

Bosrandweg
Kees werd geboren in Papendrecht, maar zijn vader vond begin jaren dertig werk als boerenknecht: eerst in Aalsmeer, daarna in Mijdrecht. Begin jaren veertig verhuisde het gezin naar de Middenweg in Bovenkerk, de tegenwoordige Bosrandweg. “Ik was er al vroeg bij”, zegt Kees. ‘Ik was twaalf en de oorlog was net begonnen. Toen kocht ik m’n eerste buks. Zo’n achtkantig ding, levensgevaarlijk. Als je schoot, dan moest je oppassen dat je de huls niet in je gezicht kreeg. Het is nog een wonder dat ‘ie nooit in m’n oog is gekomen.’

Later kocht hij op afbetaling een halfautomatische geweer. ‘Maar waar ik nog het meest gemak van heb gehad is de hond, die ik ooit voor een gulden heb gekocht.  Het was een superhond, niet zo snel als een hazewindhond maar wel heel erg slim. Hij rook precies waar de hazen zaten. Hij ving er wel 15 in een half uur tijd. Later bood iemand duizend gulden voor de hond. Ik heb het niet gedaan. Jammer is dat de hond later jammerlijk aan zijn eind is gekomen. Door z’n kop geschoten.’

Pleuris
Kees ging in de nachtelijke uurtjes op stap, vaak tot vroeg in ochtend. Hij offerde zijn nachtrust eraan op. ‘Om zeven uur moest ik gewoon weer naar m’n werk.’

‘De echte jagers hadden de pleuris aan mij’, zegt Kees. ‘Ik durf rustig te zeggen dat ik veel beter. Ik was ze ook altijd te slim af. Een week voordat in oktober het jachtseizoen werd geopend, ging ik het veld in. En op die manier kaapte ik een groot deel van de buit al weg’ De kleine boerenzoon was verrekt behendig in zijn vak. ‘Ik wist precies hoe je een haas moest benaderen. Dat moest stapje voor stapje, zonder geluid te maken. Het lukte me om de beesten tot vijf meter de naderen.’

Het gebeurde regelmatig dat Kees en z’n stroopmaatjes achterna werden gezeten door overijverige veldwachters. ‘Toen we een keer werden ontdekt, waren we genoodzaakt om in het water te springen.  Achter het riet en tot onze middel in het water hoorden we de agenten tegen elkaar spreken: ‘hier moeten ze toch ergens zijn.’

Verstopt onder de vloer
De Bovenkerkse stroper kreeg ’s nachts ook wel eens bezoek aan huis. ‘M’n geweer hebben ze nooit ontdekt. Die was altijd keurig netjes verstopt onder de vloer, precies op de plek waar de agent ging zitten.’

Maar één keer liep hij toch bijna een keer tegen de lamp. ‘De agenten ontdekten in de kelder een hele verzameling dode hazen. ‘Hoe kom je daaraan?’, vroegen ze. ‘Van de jongens van Van Oort’, was dan mijn antwoord. Op die manier konden ze me niks maken. Je moest altijd zorgen dat je je verhaal klaar had.’

De hazen leverden een aardig zakcentje op. ‘Van een goudeerlijke poelier in Amsterdam kreeg ik drie gulden voor een haas van zes pond. Als ik niet precies aan het gewicht kwam, schoof ik nog wel eens een stukje lood in z’n gat.’

Duitse soldaat
Kees beleefde naast het stropen in de oorlog ook andere avonturen. Eén voorval weet hij zich nog levendig te herinneren. ‘Een Duitse soldaat was bij het Pontje van Sloothaak met een wijffie dat ‘ie ergens opgescharreld had een hooihoopje ingedoken. M’n maatje en ik zagen dat gebeuren. We hebben met wat hooipollen een lontje gemaakt en aangestoken. Richting de hooihoop. De Duitser schrok zich helemaal wezenloos en met zijn broek op z’n knie is ‘ie weggerend.’

Leven gered
Het leven van Kees was niet alleen avontuurlijk. Hij maakte ook verdrietige momenten mee in zijn leven, vooral na het dodelijk ongeluk van zijn zoon. Zijn vrouw werd op latere leeftijd blind en werd de laatste jaren van haar leven liefdevol verzorgd in het Zonnehuis.

Kees was in zijn jeugd af en toe een deugniet, maar in den aard was het een goeie kerel. ‘Eén keer heb ik m’n vriend gered van de dood, die bij het optuigen van de paardenkar onder stroom is komen te staan. De lamoenen waren tegen de bovengrondse elektriciteitsdraden aangekomen en hij stond onder stroom. Ik kwam aangerend en heb hem met één ruk losgemaakt uit z’n benarde situatie. Hij is me er altijd dankbaar voor gebleven. Ik kreeg in het café, waar nu Van Maanen zit, een biertje van hem. Hij is overleden, maar bij de koffieochtend krijg ik nog altijd een koffie van zijn vrouw. ‘Als jij dat toen niet had gedaan, had ik m’n man nooit ontmoet’, zegt ze dan. Dat is mooi.’

 

Dick Aanen, april 2017
Interview werd eerder gepubliceerd in wijkblad Nota Bene